Welkom

Welkom op de pagina voor andere familieleden van plegers van seksueel grensoverschrijdend gedrag.


Op deze website vind je uitgebreide informatie voor partners, ouders en kinderen van plegers. Er zijn nog heel wat meer familieleden die de gevolgen dragen van een pleger met wie ze verwant zijn: grootouders, broers/zussen, kleinkinderen. Ook verdere familieleden als tantes/ooms en neven/nichten kunnen heel erg betrokken zijn.


Omdat we niet voor elke groep aparte informatie kunnen verzamelen, kan je bij BIB en JURIDISCHE INFO leesmateriaal terug vinden. Kijk dus eens rond op de andere pagina’s. Indien je een vraag hebt, een reactie wil geven of je verhaal wil vertellen, kan dat hier. 

 

Wel speciaal voor deze pagina gaf Kristien Hemmerechts de toestemming om een fragment uit haar boek Ann te mogen gebruiken. Ook Ann zelf stemde ermee in.

Het boek Ann

 

Op een dag krijgt Kristien Hemmerechts een e-mail van een haar volslagen onbekende vrouw, Ann.  Ann stelt Kristien de vraag die ze al dikwijls kreeg : wil je mijn verhaal opschrijven ?  Voor één keer gaat de schrijfster in op het verzoek.  Ann lijdt al jaren aan anorexia, die ongeneeslijk lijkt, en wil een einde aan haar leven maken.  Ze torst een incestverleden : een wond waaraan haar familie desnoods geloof wil hechten, maar waarnaar ze niet lijkt te handelen.  En dus blijft Ann met haar uitgemergelde lichaam roepen : geloof me.

 

Kristien Hemmerechts spreekt met Ann, haar broers en haar moeder en nadien ook met (soms onwillige) therapeuten.  Ze doet in dagboekvorm verslag van de confrontatie met een onoplosbare familiegeschiedenis en een halsstarrig ziektepatroon.  Ze stelt het voortdurend falen vast van de medische en psychologische begeleiding die Ann kreeg.  Ze bewondert Anns moed om ondanks alles te blijven vechten.

 

Kristien Hemmerechts heeft Anns verhaal opgetekend met al het inlevingsvermogen en de absolute eerlijkheid die daarvoor nodig zijn.  Ze gaat op zoek naar de  maatschappelijke oorzaken van anorexia, betrekt Anns verhaal op zichzelf en worstelt met de eeuwige vraag : in hoeverre is het mogelijk een ander echt te kennen ?

 

Ann is uitgegeven door uitgeverij Atlas, Amsterdam en kwam in februari 2008 op de markt.

 

In het boek komen ook de twee broers van Ann aan het woord.  Deze broers zijn twee volwassen kinderen van een vader die zijn dochter misbruikte.  We vroegen Kristien Hemmerechts daarom of we de verhalen van de twee broers voor deze website mochten gebruiken.  Kristien Hemmerechts overlegde met Ann en beide gaven hun toestemming. 

 

 

 

 

Yves

 

R. ligt in een streek waarvan een stadsmens als ik vergeet dat die in België ook bestaat: glooiende velden zover het oog reikt. De tarwe rijpt op het land. Klaprozen zorgen voor vrolijk dansende toetsen. Na dagen van regen laait de zomer weer over het land. Alles groeit en bloeit. Politici verkopen zichzelf op aanplakborden langs de weg. De zoveelste verkiezingen staan voor de deur.

 

 Ik sukkel de taalgrens over, vraag de weg, verneem dat ik in 'Le pays flamand' moet zijn. Maar die grote boerderij van hem, zal Yves me zeggen, is eigenlijk typisch voor 'Le pays wallon'.

 

 Ik blijf de weg maar vragen, voel nieuwsgierige blikken op me. Straks zal het in het dorp gonzen van het gerucht: een vrouw was op zoek naar de hoeve van de Gerretsen. En wat zou ze daar te zoeken kunnen hebben?

 

 Als ik mijn auto parkeer, kruist een tractor me: Yves. Hij heeft me gezien en verwelkomt me met een gulle lach. Een ander gezicht dan dat van Ann: ronder, voller, meer hun moeder. De tractor, zo zal ik horen, is zijn geliefde habitat. Ook als Ann het over haar broer heeft, valt steevast dat woord, alsof Yves zonder tractor niet denkbaar is. De boerenstiel heeft niets meer met fysieke kracht te maken, zal hij me vertellen. Eigenlijk zou hij de hele dag aan zijn bureau moeten zitten om te kopen en te verkopen, maar hij heeft die tractor nodig. Of beter: die tractoren.

 

 Yves en zijn vrouw hebben 'de schone plaats' als woonkamer ingericht. Vroeger werd die alleen voor feesten gebruikt. 'Dat is toch zot,' zegt hij. De oude woonruimte is nu als bureau ingericht. Ze hebben een stuk bij gebouwd met grote ramen. Licht stroomt naar binnen. Een werkman is bezig een terras aan te leggen. Dat moet klaar zijn vóór Yves' verjaardagsfeest. En nee, hij weet nog niet of Ann komt. Ze komt zelden naar familiefeesten en als ze komt, blijft ze maar even.

 

 Terwijl zijn dochters de maaltijd beëindigen mag ik Anns kamer zien. Hier, denk ik, maar met de babbelende Yves naast me voel ik niets. Zijn jongste dochter slaapt er nu. De kamer is met speelgoed en knuffeldieren volgestouwd. Roze gordijnen en een roze dekbedovertrek. Kleiner dan ik me had voorgesteld. En rommeliger. Grenzend aan de ouderlijke slaapkamer. Een raam met zicht op de imposante poort. Of ik de badkamer mag zien ? Dat mag. Ik mag alles zien en vragen. Ik had reserve verwacht. Achterdocht. Wrevel. Maar net als bij zijn moeder word ik hartelijk onthaald.

 

 Mijn allereerste indruk was dat we snel zouden zijn uitgepraat, maar dat blijkt algauw een grove vergissing te zijn. Tijdens het gesprek kijken we elkaar dikwijls langdurig in de ogen. Hij heeft drie verschillende gezichten: het gezicht van boer Yves, een gul lachend gezicht en een intens droevig. Aan het eind zal ik hem zeggen: 'Ik denk dat Ann onderschat hoe gevoelig je bent.' - 'Ja, dat weet ik. Ik ben supergevoelig. Rap gekwetst ook. Maar ik laat dat niet merken. Ik hou de schijn hoog dat ik nogal een stoere ben, terwijl dat helemaal niet zo is.'

 

 'Ik heb mijn vader gekend als een hele hele brave mens. Heel stil, braaf, echt braaf. Heel sociaal ook. Hij was wel tien keer voorzitter van verschillende verenigingen en dus veel weg. Iedereen zei "meneer" tegen hem. Hij was vooral geëngageerd in de Boerenbond. Daar heeft hij carrière gemaakt, nou ja, carrière. Dat is op vrijwillige basis. Ge verdient daar niets mee. Hij zat op het einde in de Bondsraad, dat is eigenlijk het parlement van de Boerenbond. Ik doe dat nu ook, maar op provinciaal niveau. Vroeger had de Bond veel politieke macht.

 Ik heb altijd geweten dat ik boer wilde worden. Hoe oud zou ik geweest zijn? Vijf jaar? Ik praatte daar met mijn vader niet over, maar hij zag dat wel. Ann en Marc hingen meer aan elkaar, maar ik was altijd bij hem. Ik heb altijd meegeholpen en ben daar altijd door gepassioneerd geweest. De dieren interesseerden me niet, de tractor wel. Op een bepaald moment heb ik overgenomen en toen hielp mijn vader mij. Van de drie kinderen heb ik de langste relatie met hem gehad.

 

 Ik heb hier veel veranderd. Ik ben beginnen bouwen, ik heb de boerderij vergroot. Toen ik dertig jaar was, had ik meer dan honderd miljoen schulden. Een boerderij moet ge niet onderschatten. Ik ben nog altijd bezig met gronden te kopen die nu eigendom zijn van mijn broer en mijn moeder en mijn zus, en die ik van hen pacht. Maar ik pacht liever dan dat ik koop. Ah ja. Pachten is veel goedkoper, maar soms vragen zij om te verkopen omdat ze geld nodig hebben. Voor mij is dat een tegenslag. Mijn bieten weten niet of het eigendom is, of huurgrond. De pacht is maar een percent van het kapitaal. Dat is belachelijk laag, maar dat is altijd zo geweest.

 

 Die gronden zijn een groot probleem geweest tussen mijn ouders. Mijn vader was te braaf om de gronden vrij te maken. Dat was bijna tegen het sullige af. Hij laat de grond door zijn buren bewerken, krijgt twee keer niets als pacht en hij gaat zelf in de varkens zitten!

 

 Mijn vader vertelde nooit iets over zichzelf. Dat was precies een geheim. Ik ben naar het internaat gestuurd toen ik twaalf jaar was en dat was verschrikkelijk voor mij. Ik was een moederskind, nogal bedeesd, overbeschermd ook. Dan zei hij: "Ik was maar negen jaar toen ik vertrokken ben." Waarmee hij wilde zeggen: maak u sterk, gij zijt er toch al twaalf. Daarmee was de kous af. Maar ik heb daar veel afgezien. Dat was echt niets voor mij. Totaal niet. Ook met mijn moeder kon ik er niet over praten. Het was blijkbaar erg belangrijk dat ge tussen de paters zat en streng opgevoed werd. Of ge daar nu tegen kon of niet, daar werd geen rekening mee gehouden. Ik heb drie jaar aan een stuk alle zondagen geweend. Ik was daar niet thuis, ik kon daar niets gaan doen, dat interesseerde mij daar niet. Ik wou landbouw doen. Ze zeiden: "Ge kunt dat later nog doen." Wij waren allemaal voorbestemd voor de universiteit. Ze zeiden: "Zet u erover. Dat zal wel beter gaan. Elke dag zal het beter gaan." Maar het werd niet beter! Nu vraag ik me af waarom ik niet heb gerebelleerd. Ik ben iemand die dat durft, maar toen durfde ik het niet. Ik weet zeker dat als ik mijn kinderen naar zo'n school zou sturen, ze de volgende dag de bus namen en naar huis terugkeerden.

 

 Het was ook een kwestie van prestige. Daar zaten zonen van ministers en zo. Mij interesseert dat niet. Ik had daar ook geen vrienden, terwijl ik iemand ben die gemakkelijk vrienden maakt. Het was er vooral wereldvreemd. En iedere dag naar de mis, natuurlijk.

 

 Mijn vader is dan zwaar ziek geworden. Voor mij was dat een geluk bij een ongeluk. Hij had een ontsteking van zijn hartklep en heeft weken in de kliniek gelegen. Er werd gezegd dat hij nooit meer zou kunnen werken. Toen hebben ze me daar weggehaald en me rap naar een landbouwschool gestuurd. Door de ziekte van mijn vader ben ik opengebloeid. Ik was waar ik moest zijn. Die twee scholen waren onvergelijkbaar.

 

 Mijn moeder had hier heel veel te zeggen. Mijn vader was met alles akkoord. Ieder had zijn plaats. Mijn moeder was de baas en mijn vader volgde. Hij had daar geen moeite mee. Met mij zou dat niet lukken. Ik ben zelf ook niet bazig, hoor. Iedereen hier heeft zijn vrijheden, dat moogt ge direct aan mijn vrouw vragen. Toen ik het bedrijf overnam, kwamen mijn vader en ik professioneel niet overeen. Ik had meer het karakter van mijn moeder, van: vooruit. Mijn vader bleef liever klein. Daar zat geen vuur in. Die zou blijven zitten zijn. Dankzij mijn moeder bereikte hij iets.

 

 Mijn moeder bleef altijd tot 's avonds laat werken, in de keuken, of in haar rozentuin. Of ze was aan het verven. Of ze maakte kleren. Dat kon die allemaal.

 Toen ik de boerderij overnam, heb ik direct een hangar in de rozentuin gezet. Daar was ze niet blij mee! Maar ik moest dat niet hebben! Mij interesseerde dat niet om te gaan krabben in een tuin. Ik heb de boerderij bijna maal tien gedaan.

 

 Mijn vader kon niet volgen. Beginnen bouwen, leningen aangaan! Die was daar niet mee akkoord. Maar hij zei wel: "Het is van u, trekt uwe plan. Ik geef u goede raad, neemt ge hem niet, dan moet ge maar op de blaren zitten als ge uw gat verbrandt." Die zou niets gedaan hebben van wat ik deed. Die was tegen alles tegen. Maar na zijn dood zei mijn moeder dat hij eigenlijk wel heel fier was, omdat hij zag dat het goed liep. Mijn vruchten waren proper, die brachten veel op. Hij was fier, maar hij heeft het nooit gezegd.

 

 Ik ben begonnen met aardappelen. Aardappelen zijn risicovol, dat weet iedereen. Dat vraagt veel werk en veel investeringen, en wat ge eraan gaat verdienen, dat weet ge pas een jaar later. Ik heb daar veel financiële katers aan overgehouden, maar ik ben daar ook goed mee geweest. Als de aardappelen niet gaan, dan gaan ze niets. Maar uw geld zit er wel in! Ik heb vier miljoen kilo en verkoop veel aan fritesfabrieken. Die nemen per dertig ton af.

 In het begin heb ik de varkens overgenomen omdat er niet genoeg grond was, maar ik ben er zo gauw mogelijk mee gestopt. Gelukkig heeft mijn moeder mijn vader onder druk gezet om gronden voor mij vrij te maken. Ze zei: "Is een buur belangrijker dan uw zoon?" Vroeger was de pachtwet zo datje alleen voor jezelf of je zoon de pacht kon opzeggen. Maar nu mag een tante of een nonkel dat ook doen. Dat mag nu tot de vierde graad.

 

 Voor mijn vader was de goede huisvrede het allerbelangrijkste. Hij ging confrontaties uit de weg. Ik en mijn moeder, dat kon al eens botsen. Van mijn vader moest ik mij altijd gaan excuseren, terwijl ik dikwijls vond dat ik gelijk had. Maar ze was te koppig om dat toe te geven. Ik moest van hem gaan zeggen: het spijt me. "Dan is uw moeder haar kuur over," zei hij. "Want anders is dat hier geen leven." Ik heb het daar heel moeilijk mee gehad.

 

 Later pikte ik dat niet meer. Ik ben eigenlijk tien jaar weg geweest, van mijn twaalfde tot mijn tweeëntwintigste. Na mijn legerdienst ben ik opnieuw hier komen wonen, maar ik was een heel andere mens. Veel zelfstandiger. Ik ben compleet het omgekeerde geworden. Geworden niet. Ik was het, maar ik durfde het niet te zijn. Mijn moeder wil nog altijd haar gelijk halen, zelfs als het volstrekt onredelijk is.

 

 Van Anns anorexia herinner ik me vooral de ruzies, heel veel ruzies. Mijn moeder dacht: ik ga hier eens zeggen hoe het in elkaar zit. Ge moet eten, punt. Via ruzie dacht ze het te halen. Dat was het duidelijk niet, hè. Altijd hetzelfde: "Ge moet eten, de tafel staat vol eten, we werken hard, en ge eet niet." Dan ging Ann naar haar kamer, mijn moeder daar achter, dat kon duren tot een kot in de nacht. En altijd hetzelfde. Net een cassette die afspeelde.

 Ik heb ooit tegen mijn moeder gezegd dat ik het kotsbeu was. Ik zei: "Dat is een ziekte, zijt ge daar zelf nog niet achter?" Ik heb haar letterlijk gezegd: "Iemand die kanker heeft, die gaat ge ook niet overlezen, daar kunt ge het ook niet uitroepen." Ze zei: "Dat is niet hetzelfde. Ze moet gewoon haar mond opendoen, er eten in steken en knabbelen."

 

 Met Ann heb ik er nooit over gesproken. Wij werden ook stilletjes vreemden. We zaten elk op ons eigen internaat, weg van elkaar. En in het weekend zat ik op mijn boerderij. Ik heb het Ann nooit kwalijk genomen, maar ik vond die ruzies verschrikkelijk. Ik vind de sfeer in huis erg belangrijk. Als ik ruziemaak, wil ik dat het wordt uitgepraat voor ik ga slapen. In dat opzicht ben ik zoals mijn vader. Ik zal ook rap toegeven voor de lieve vrede. Ook met buren en zo. Er wordt dikwijls over spuitschade en zo gezeurd. Sommige boeren moeten dan direct een vergoeding hebben. Ik denk: vorig jaar waart gij het, nu ben ik het. Maar ik betaal die honderd euro, liever dan ruzie te maken.

 Op den duur was ik die ruzies ook gewoon. Ik kwam nog altijd graag naar huis voor de boerderij. De behandelingen die we samen met haar hebben gedaan vond ik vreselijk. Ik ben ook de eerste die afgehaakt heeft. Ik wilde niet meer gaan. Ik kon daar niet tegen. Er was altijd iemand de schuldige. Wij gingen altijd met de auto naar huis en er was altijd iemand die toen met de vinger gewezen was. En die was dan dik op zijne teen getrapt. En dan waren er weer spanningen over hetgeen er daar gezegd was.

 

 Ik heb absoluut niets aan die gesprekken gehad. Ik ben meegegaan uit respect omdat ik heel goed besefte dat er iets serieus mis was en ik ben meegegaan om te helpen, maar dat was niets voor mij. Ik heb daar niets aan gehad. Integendeel. Sommige dingen klopten wel. Dan zeiden ze dat wij thuis weinig over gevoelens praatten. Dat wist ik ook wel, daar had ik hen niet voor nodig, 't Was altijd iets. Dan was mijn moeder te bemoederend, dan waren het de kinderen die geen goeie band hadden. En dan is het woord incest gevallen als een mogelijke oorzaak. Ik vond dat verschrikkelijk. Ik dacht:waar hebt gij het over? Mijn vader was erbij. Die was ook verontwaardigd. "Zie eens wat die durft te zeggen!" Ik vond dat ook. Ik was op mijn teen getrapt. Jaren later heeft Ann het dan verteld. Maar toen was hij al dood. We konden het hem niet meer vragen.

 Ik heb me toen afgevraagd: heb ik die genen ook? Is er iets in mij dat eraan denkt dat ooit te doen? Ik vind het walgelijk, ik heb daar geen woorden voor, maar stel dat er een gen in mijn lij f zit... Ik heb er met mijn vrouw over gesproken. Ik wilde mijn kinderen niet meer wassen in bad. Mijn vrouw zei: "Dat is niet, dat kan niet."

 

 Ik heb er nog altijd moeite mee om het te geloven. Als ze mij gevraagd hadden een lijst te maken van mogelijke oorzaken, zou dat er niet op gestaan hebben. Zelfs niet op de honderdste plaats. Ann is daar kwaad voor, maar ge moet u dat voorstellen! Ann zegt: "Als ge mij ziet, hoe kunt ge dan twijfelen?" Mijn reactie was er een van ongeloof. Ik heb ook mijn herinneringen aan mijn vader. Ik had geen slecht woord over hem. Tot twee maanden voor zijn dood heb ik met hem samengewerkt. Hij was hier iedere dag op de boerderij. Ik kon altijd op hem rekenen. En plotseling moet ge van nen heilige ne smeerlap maken. Want iemand die dat doet is ne smeerlap voor mij. Iemand die dat doet, daar heb ik geen respect voor.

 

 Er waren altijd spanningen tussen Ann en mijn vader, dat is het enige wat klopt in dat verhaal. Ann zei heel weinig tegen papa. En dikwijls wilde ze hem geen nachtzoen geven. Soms krijg ik van mijn kinderen ook geen nachtzoen. Als ze boos zijn omdat ze hun goesting niet hebben gekregen.

 

 Ik geloof Ann. Zoiets kunt ge niet uitvinden. Daar zoudt ge al heel slecht voor moeten zijn om zoiets uit te vinden. Ik geloof haar, maar het komt helemaal niet overeen met de herinneringen die ik aan mijn vader heb. Ik kan het hem niet meer vragen. Want ik zou het zeker absoluut moeten weten hebben.

 

 Ik zie Ann niet zo vaak. Ze gaat altijd ver weg wonen en ik heb veel werk. Ze spreekt graag af op zondag, maar ik wil dan ook eens bij mijn kinderen zijn. Ik voel me dan verscheurd. En als ik te laat kom of een afspraak wil verzetten... Ik moet altijd goed wikken en wegen als ik iets zeg. Ik moet altijd heel voorzichtig zijn. Ze is overgevoelig. Als ik wat opener ben, neemt ze me dikwijls dingen kwalijk. Ik heb ooit eens gezegd dat ik zoveel moeite had om het te geloven van die incest. Dat neemt ze me enorm kwalijk. Ik zeg niet: "Ge liegt." Ik geloof haar wel. Als ge ziet hoe ziek ze is... maar ge moogt toch zeggen dat ge moeite hebt om het te geloven.

 

 Ze komt bijna nooit hier. Maar één keer was ze hier en de foto van de nagedachtenis van papa stond daar nog in de hoek. Op dat moment heeft ze er niets van gezegd, maar ze heeft toen wel een brief geschreven van twee, drie bladzijden om te vragen hoe het mogelijk was dat die foto daar nog stond. Maar ik heb ook mijn herinneringen! Hij heeft mij persoonlijk nooit iets misdaan. Ann kan hard zijn. En scherpe dingen zeggen.

 

 Ik heb er al dikwijls met mijn moeder over gepraat, maar die zegt dat ze niets niets gemerkt heeft. Dat kan niet, zegt Ann. Als vrouw van moet ge dat merken. Ik heb ook niets gemerkt, maar zelfs als ik iets gezien had, als twaalfjarige zou ik niet geweten hebben waarover het ging. Als mijn moeder het geweten had, zegt ze, had ze haar valiezen gepakt en was ze weggegaan. Zo is ze ook.

 

 Marc heeft me een tijd geleden verteld dat het heel slecht ging met Ann en dat ze op zoek is naar een manier om er een eind aan te maken. Ik heb toen met haar afgesproken en ze zei: "Ik kan echt niet meer verder." Ik heb haar gezegd: "Ik kan u begrijpen, maar ik kan u daar onmogelijk in steunen." Ann heeft zoveel capaciteiten, superintelligent, heel verbaal. Ze was ook heel mooi. En nu is ze zo ziek. Ze leeft wel, maar ik vraag me dikwijls af of er niet veel schijn bij is. Ik denk dat ze vrij eenzaam is. We hebben elkaar gezien met moederkesdag. Ze probeert zich dan beter voor te doen dan ze is. Vrolijk en zo, maar er is veel fake bij, denk ik. Ge ziet dat het haar niet afgaat. Als ge op café eens wat dieper op dingen ingaat, begint ze onmiddellijk te wenen. Ik vind het allemaal heel erg, maar ik kan er niets aan doen. Ik doe wel mijn best om naar haar te gaan als ze me belt en vraagt of ik kom. Mijn kinderen zien haar graag. Ze koopt vaak cadeautjes voor hen.

 

 Ik ben erg bang voor mijn moeder als het zou gebeuren. Dan zal ze een klop krijgen. Maar ik zie echt niet meer wat ik kan doen. Mijn broer weet het ook niet meer. Ik praat er vaker met hem over dan met Ann. Mijn broer is nog eens een weekend met haar weggegaan. Eerst zou het New York zijn, dan was het Parijs en uiteindelijk is het Antwerpen geworden. Dat heeft Marc gedaan om haar nog eens wat plezier te gunnen. Ze wilde graag eens genieten van luxe. Het is goed meegevallen, zei hij. Dat is het enige dat ge nog kunt bieden. In de medische sector is er niemand meer die haar kan helpen. Ik kan alleen een broer voor haar zijn.

 

 Vorige zondag heb ik Ann gezien. Ze zei dat ze het heel zwaar had met het boek. En tegelijkertijd doet het haar precies ook deugd. Ze heeft iets omhanden. Ze is aangenamer ook om mee te praten. Rustiger vooral. Misschien komt het ook door die pil die ze nu heeft. Ik denk niet dat ge het een tijd moet laten rusten, want er is niet veel tijd meer. Denk ik. Ze is fysiek heel zwak, hè. Het is een mirakel dat ze nog leeft. Ze heeft me ook uitgelegd dat haar darmen niet veel voedsel meer opnemen. Om bij te komen moet zij drie keer zoveel eten als iemand anders. Langs de andere kant kan ik haar bijna niet bijhouden als we samen door Brussel lopen. Zo kordaat als zij is! De constante in haar leven is de drang om te leven. Weet ge wat dat is, zes maanden in een psychiatrische inrichting gaan zitten? Ze heeft alles gedaan om te genezen.

 

 Ann is de enige die heeft aangevoeld dat het met mij ook een tijd niet goed ging. Een jaar of vijf geleden voelde ik me wankel. Ik was mijn energie en mijn passie kwijt. Ik heb altijd mijn passie in mijn boerderij gelegd, maar ik heb het nu precies gehad. Ik kan niet meer verbeteren. Ik heb de grootste tractors, de grootste machines. Nu zou ik iets anders willen doen. Ik had niet gedacht dat het mij kon overkomen, maar nu weet ik dat het iedereen kan overkomen. Ze heeft het toen zo ongeveer uit mijn neus gepeuterd.

 

 Ik heb mijn ouders nooit met mijn problemen lastiggevallen, want ze waren zo vol van de problemen met Ann. Ik heb hen of haar dat nooit kwalijk genomen. Dat is toch normaal als een kind ziek is, dat al uw aandacht naar haar gaat. Ann kan daar niet aan doen, hè, aan die anorexia. Dat is als een kanker die woekert in haar lijf.

 

 Ik werk niet meer zo hard als vroeger. Toen was het heel normaal om om drie uur 's nachts thuis te komen. Ik zal nu nog investeren in grote machines, te grote zelfs, om rapper klaar te zijn met het werk.

 

 Met het boek heb ik absoluut geen moeite. Ik heb te veel taboes gehad in mijn jeugd. Er kon over niets gepraat worden. Dat is toch het katholicisme: taboes en schuldgevoelens. Met mijn vrouw praat ik open en eerlijk over alles. Als ik ooit een scheve schaats rij, dan zal ik haar dat zeggen. Mijn schuldgevoel zou te groot zijn. Ik zou niet kunnen zwijgen. Ik heb haar gezegd dat het zou kunnen gebeuren dat ik voor iemand anders val. Maar het gebeurt niet. En toch is er genoeg gelegenheid. Ik volg iedere zomer een cursus toneel in het zuiden van Frankrijk. Ik rij daar met de moto naartoe. Drie dagen heen, drie dagen terug. En ik ga dikwijls uit met vrienden en vriendinnen. Als ge me aan een tafel met vrienden zet, dan kan ik die probleemloos animeren. Of ge zet mij op een podium en ik zal de zaal wel amuseren. Een vriend van mij zegt dat ik uitstraal dat ik niet in andere vrouwen geïnteresseerd ben. Maar ik ben wél geïnteresseerd. Er is een tijd geweest dat ik er open voor stond. Maar ik zou me daar slecht en schuldig bij voelen. Ik zou het emotioneel niet aankunnen om op twee paarden te wedden. Dat komt door die katholieke opvoeding zeker, die me altijd wat tegenhoudt. Ik hang ook financieel vast, hè. We hebben samen een bedrijf. Maar we hebben dat allemaal besproken, hoor. Mijn vrouw zegt dat ze het erg spijtig zou vinden, als het gebeurde.

 

 Toen mijn vrouw en ik trouwden, waren wij vreemden voor elkaar. Ik zou graag hebben dat mijn kinderen gaan samenwonen voor ze trouwen. Daar was hier geen sprake van. Als ik dat had voorgesteld, was de boerderij te klein geweest. Het was uitgesloten dat ik een hele nacht bij mijn lief was gebleven. Alles moest in het geniep gebeuren. Het was alsof ik aan een wildvreemde eeuwige trouw beloofde.

 

 Ik ben relatief laat naar een lief op zoek gegaan. Ik was met te veel andere dingen bezig. We hadden een groep vrienden en we organiseerden veel. Dat was De Groene Kring, een vereniging van jonge boeren. Ik vond het altijd zo erg als iemand verkering kreeg en dan zag je die niet meer. Er was altijd ene weg, en nog ene weg, en op 't laatste bleef ik alleen over.

 

 Ik zou meer samen met mijn gezin willen doen, maar ik kom er niet toe omdat ik dat nooit heb gekend. Terwijl ik besef dat het wel nodig is. Maar ik doe dat ook niet graag, een dag naar Walibi gaan of zo. Mijn oudste is bijna dertien. Binnen twee, drie jaar beginnen daar vriendjes te komen en is ze bijna niet meer thuis. Ik heb al niet veel kans meer en ze is weg. Daar denk ik over na als ik op mijn tractor zit. Maar ik denk wel dat mijn gezin gelukkig is.

 

 Toen mijn broer me vertelde dat hij homoseksueel was, kwam dat als een schok. Ik bedoel, ik vond het pijnlijk dat hij zo lang had gewacht om dat te zeggen. Hij was bang dat ik hem scheef zou bezien. Mijn moeder en Ann zeggen: "Allez, dat ge dat niet gezien hebt!" Maar ik had dat niet gezien! Hij had trouwens veel meer succes dan ik bij de vrouwen. Dat is die vrouwelijke kant zeker? Ik denk dat die in het begin het veel gemakkelijker hebben, maar dan haken ze af. Dat heeft wel een serieuze domper op mijn relatie met de katholieke kerk gezet. Marc is altijd misdienaar geweest. Daarna is hij lector geweest. Hij heeft catechese gegeven. Maar als ge voor uw geaardheid uitkomt, laten ze u als een baksteen vallen. Dat klopt toch helemaal niet. Ik zal het boek zeker lezen. Dat zal dan het eerste boek zijn dat ik ooit lees.'

 

Marc

 

Iets na tien uur bel ik bij Marc aan. Zijn vriend heet me welkom, zodat ik even in de war ben: die man lijkt niet op de Marc van de foto's, maar moet dus wel Marc zijn. Nee, dus. Marc staat op een meter. Ik vraag of we onder vier ogen kunnen praten. Dat kan. In de salon. Het soort nuffige salon dat je bij grootouders verwacht. Er hangt een muffe geur. We gaan aan de tafel zitten maar ik sta meteen op om de schuifdeur open te zetten. Ik heb lucht nodig.

 

 Ik moet me dwingen om naar Marcs gezicht te kijken. Ik kan er geen zweem van Ann in ontdekken. Misschien wel van zijn broer Yves. Zijn ogen doen me aan de ogen van Herman denken. Ogen die zich makkelijk met tranen vullen. Bij het weggaan zal ik hem op het hart drukken me te bellen als het zover is. Daarmee bedoel ik: als Ann zelfmoord wil plegen.

Marc gaat gebukt onder een niet onherkenbaar, fors ontwikkeld gevoel voor empathie: hij kan zich in ieders standpunt verplaatsen. Is dat het lot van de jongste van een gezin van drie? In de loop van ons gesprek wijs ik hem op de overeenkomsten tussen hem en mij: een oudste broer die als man van

de wereld altijd zijn verantwoordelijkheid neemt en genomen heeft, een problematische zus, en dan de jongste die zijn eigenweg gegaan is maar zich ook tussen hamer en aambeeld geprangd voelt: tussen moeder en problematische zus. Ik zeg hem dat ik van empathie mijn beroep gemaakt heb. Empathie is cruciaal om je in een romanpersonage in te kunnen leven. Alleen voor zijn vader trekt Marc een grens. Als ik voorzichtig suggereer dat de man zelf een slachtoffer was, schudt hij als een oud getreiterd paard koppig zijn hoofd. Hij weigert de mogelijkheid in overweging te nemen dat zijn ouders absoluut ongeschikt voor elkaar waren. En dat zijn vader misschien pedofiele neigingen had, die hij op zijn dochter botgevierd heeft. In die tijd, zeg ik, werd een huwelijk aanbevolen als remedie tegen afwijkende geaardheden. Die empathie is hem een brug te ver. Anders dan ik blijkt hij in het huwelijk van zijn ouders te geloven.

Bij mijn vertrek geef ik hem een kus. Dat lijkt me vanzelfsprekend na een gesprek waarin we intieme dingen besproken hebben. Hij schrikt, lijkt niet goed te weten wat hij met die kus aan moet. Hij is al even weinig kusbaar als zijn moeder en zijn broer. Er is iets aan Marc dat me niet bevalt, maar

ik kan niet zeggen wat. Misschien had ik een sterker iemand verwacht. Iemand die steviger in zijn schoenen staat. Hij is de derde in de rij: eerst de moeder, dan de ene broer en nu de andere. Ze hebben alle drie openhartig met me gepraat en ze hebben me niets verteld. En alle drie hebben ze me voor zich proberen in te nemen. Wat zoekt Ann in godsnaam bij die mensen?

 Wanneer ik thuis de bandjes beluister, vallen me de lange stiltes op. Telkens opnieuw lijken mijn vragen hem te overvallen en te verrassen.

‘Ik heb een heel gelukkige jeugd gehad. Ik heb van mijn moeder alle vertrouwen gekregen dat ik nodig had. Ik sta heel sterk in de wereld. En ook warmte heb ik van mijn moeder gekregen. Mijn moeder was er altijd. Ik heb dikwijls en lang bij haar op schoot gezeten. Ik was heel aanhankelijk. Mijn vader heb ik weinig gezien. Wel bij het avondeten, maar de relatie

was altijd iets formeler, iets afstandelijker, iets gereserveerder. Hij was minder bij de opvoeding betrokken. Hij was veel kalmer dan mijn moeder. Minder heftig. Ik had regelmatig ruzie met mijn moeder. Het ging dan over orde en opruimen. Mijn vader bemiddelde. Hij zei: "Ga nu maar naar mama, het zal nu wel achter de rug zijn." Hij was de man van het compromis, de verzoener. Hij ging veel naar vergaderingen. Mijn moeder was dikwijls alleen. Ze werkte veel in de tuin. Ze was een erg sterke vrouw.     

 Als ik op school een probleem had, kon ik bij mijn ouders terecht. Zeker bij mijn moeder. Net als mijn broer en mijn zus ben ik op internaat geweest. Het was een strenge school. De paters hadden alle macht. De eerste drie jaar sliepen we in grote zalen. Daarna kregen we elk een chambrette. Op een dag kreeg ik vijfhonderd bladzijden straf. Mijn ouders hebben toen naar de school gebeld en die straf is toen verminderd.    

                                   

 Ik heb mijn partner op die school leren kennen. We zaten in dezelfde klas, maar lange tijd waren we gewoon vrienden. Ik besefte toen nog niet dat ik homoseksueel was. Maar we kennen elkaar dus wel al vijfentwintig jaar. Homoseksualiteit was niet bespreekbaar thuis. Zeker mijn vader was preuts en van de oude stempel. Toen ik een jaar of zestien was, begon het tot mij door te dringen, maar ik verdrong het nog een beetje. Mijn vriend en ik hebben onze gevoelens voor elkaar pas uitgesproken toen we drieëntwintig waren. Vóór hem heb ik met niemand een relatie gehad. In mijn laatste jaar aan de universiteit ben ik naar een zelfhulpgroep voor homo's gegaan, de verschrikkelijke Pieter Masereelclub of zoiets, een sociaal initiatief van de jaren zestig. Ik vond die andere gasten veel te verwijfd. Ze hadden het vooral over ABBA.

 

 Ik heb nooit veel problemen met mijn homoseksualiteit gehad. Ik heb vrij snel voor mezelf besloten dat ik mijn eigen wereld wilde, die losstond van alle maatschappelijke wetten. Ik heb nog overwogen om in een commune te gaan wonen. Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik thuis weg wilde. Ik zat wel op internaat, maar ik kwam graag tijdens het weekend naar huis. Ook later, toen ik aan de universiteit studeerde, was dat zo. Ik hou enorm van het platteland. En van die ruimte.

 

 Als kind heb ik veel alleen gespeeld. Ik herinner me dat ik dikwijls in het zand speelde. Ik had een imaginaire wereld waarin ik me uren en uren kon terugtrekken. Later stak ik veel tijd in het nieuws. Ook nu nog lees ik tijdens het weekend twee kranten. Ik zat in het koor, net als Ann trouwens, en mijn broer, maar ik heb het het langste volgehouden. Ik was misdienaar en daarna lector. En ik heb catechese gegeven, vijf jaar lang. Ik was de enige jongen in dat koor. Het zat vol met oudere vrouwen. Dat zal wel typisch voor een homo zijn, dat ik het zo lang heb volgehouden. Anders dan mijn broer hield ik niet van de jeugdbeweging, al heb ik er achteraf nog voor gewerkt. Eigenlijk zegt het me niets.

 

 Met mijn broer trok ik weinig op. Hij was de landbouwer. Ann en ik waren meer samen. Heel uitzonderlijk gingen zij en ik samen naar een dancing. Ik vond haar daar soms zelfs wulps. Ze droeg een kort rokje en zag er erg aantrekkelijk uit. Ze was vrijgevochten en ook wel flirterig. Ik keek erg naar haar op. Ze fladderde nogal van jongen naar jongen. Ze voerde het hoge woord. Daarin is ze niet veranderd. Verbaal is ze altijd sterk geweest. De dirigent van het koor kon haar niet luchten. Hij vond haar hautain en arrogant. Volgens mij had die man zelf een probleem. Een typische pater. Maar bij haar medestudenten was ze populair.

 

 Ik heb heel veel tussen de bieten onkruid gewied. Je doet dat met een schoffel en je moet je vaak bukken om zaadbieten uit te trekken en je moet altijd over die grote bietenbladeren stappen waar je voeten achterblijven haperen en waarvan water in je schoenen drupt. Uren en uren gingen mijn ouders, mijn broer en ik naar de bieten. Misschien heeft Ann het ooit meegedaan, maar zij is al heel vlug van de kern van het gezin afgesplitst geweest. Aan de ene kant ging er ontzettend veel energie en aandacht naar mijn zus. Ik herinner me dagen en nachten van ruzie tussen mijn moeder en mijn zus. Dat was altijd uit wanhoop van mijn moeder omdat Ann niet at. Maar aan de andere kant hoorde ze niet echt bij het gezin.

 

 Toen we nog erg jong waren, trokken zij en ik veel met elkaar op. Mijn zus was erg bezorgd om mij. Ik was haar kleine broertje. We speelden veel samen. We deelden ook een imaginaire wereld, waarin allerlei figuren optraden. Er waren de zwaan en de eend. Dat waren bijnamen voor echte mensen die we waren tegengekomen en die we belachelijk vonden. We verzonnen verhalen over hen. We gaven elkaar dikwijls ook speelgoed. Dan stopte ik een mand vol met speelgoed en ik zette die voor haar deur. En zij deed dat dan ook voor mij.

 

 De Ann van voor haar ziekte herinner ik me niet zo goed. Ik weet wel dat ik haar erg graag zag. We vertelden elkaar veel.

 

 Op een bepaald moment waren er problemen met Ann op het internaat. Ze had conflicten met haar opvoedster. Het gewone leven was gedaan. Voordien was zij het ideale kind met erg goede uitslagen. Ze volgde ook pianolessen. Thuis stond er een orgel. Als er mensen op bezoek kwamen, dan vroeg mijn vader haar iets op het orgel te spelen. Ze deed dat zeer tegen haar zin. Maar de ideale dochter werd dus een probleemdochter. Tegen mij zei ze ook expliciet dat ze niet meer die ideale dochter wilde zijn. Het had ook iets rebels. Er ging meer en meer tijd naar haar ziekte. Tussen de ruzies in was er minder tijd voor haar en mij. Ik herinner me die ruzies als heftig en emotioneel beladen. Mijn zus was koppig en mijn moeder riep hard in een wanhopige poging haar tot eten over te halen. Mijn moeder zorgde er altijd voor dat er veel eten was. Ze vond dat het schoonste en belangrijkste dat ze ons kon geven. Maar mijn zus wilde het dus niet.

 

 Ik zat tussen de twee vuren in. Ik had begrip voor mijn moeder en ik had begrip voor mijn zus. In dat opzicht had ik een unieke rol in het gezin. Maar mijn zus heeft me nooit een verklaring voor haar hongerstaking gegeven. Ikzelf was vrij mollig in die tijd. Ik woog zeker 10 kilo zwaarder dan nu. Dat kwam door Ann. Ze heeft me een tijdlang vol gevoederd. Ze dook de keuken in en maakte de lekkerste desserten met room. Voor mij. Ze kon trouwens ontzettend goed koken. Ze zette me onder druk om die desserten op te eten.

 

 Ik praatte dikwijls met mijn moeder over Ann. Ik probeerde haar te troosten. In die gesprekken was Ann de moeilijke. Zeker voor mijn vader. Tussen hem en haar ging het echt niet. Mijn ouders begrepen ook niet waarom al hun financiële inspanningen niets opleverden. Mijn vader had geen psychologisch inzicht. Hij snapte het niet en hij wilde het niet snappen. Hij vond therapeuten maar bedenkelijk tuig. Hij nam zijn verantwoordelijkheid niet. Dat moest mijn moeder doen.

 

 De gezinstherapie was rampzalig. Ik probeerde die sessies te redden. Die therapeut was erg onverzorgd. Dat stond mijn vader niet aan. Het ging er altijd over dat mijn vader te veel televisie keek en te veel de krant las en naar vergaderingen ging en er nooit was. Mijn vader vond het allemaal flauwekul, net als mijn broer. Ik zag er wel de zin van in, maar ik had er alleen maar last van. Als we na een sessie thuiskwamen, lag mijn zus in de zwarte zetel thuis te slapen. Ze was zo verzwakt. Mijn moeder voelde zich compleet onbegrepen. Die zei: "Wat heb ik toch verkeerd gedaan?" Daardoor ging alle aandacht naar mijn moeder. Met die schuldvraag ben je niets. Maar de boodschap van de therapie hebben we nooit begrepen. De therapeut heeft ooit in een tekening duidelijk willen maken dat het hele gezin rond Ann draaide en dat Ann die druk niet aankon. Het is waar dat alle energie naar Ann ging, maar dat was om haar te helpen. De vraag naar het ontstaan van haar ziekte kwam ook aan bod, maar die vraag heb ik altijd als niet zo zinnig ervaren. Ik geloof niet dat het ontdekken van een "oorzaak" automatisch naar een oplossing leidt. Toen de therapeut het woord "incest" liet vallen, dachten wij niet aan mijn vader, maar wel aan een buurman. Zo heb ik het in ieder geval geïnterpreteerd.

 We hadden niet veel vertrouwen in psychologie. We dachten altijd: 't is weer een theorietje uit de boeken. Ik heb van psychologie en psychiatrie nooit een hoge pet opgehad. Ik hou niet van die denkkaders.

 

 Op het einde van haar eerste opname deed ze bij mij haar beklag over ons. "Waarom hebben jullie me hier zo alleen laten zitten? Waarom hebben jullie me zo weinig aandacht gegeven?" Dat was een terecht verwijt. Wij bezochten haar niet echt dikwijls. Maar we waren eigenlijk blij dat ze weg was. We konden het niet meer aan. De druk, de miserie, de spanningen waren enorm. Het was iedere dag oorlog in huis.

 

 Ik maak nooit ruzie. Ik zal toegeven om de vrede te bewaren. Daarin ben ik zoals mijn vader.

 

 En toen heeft Ann mijn broer en mij over die incest verteld. Ze zat naast de therapeut. Het kwam niet als een bom. Het verhaal had zich aangekondigd. Het woord was al een paar keer gevallen. Maar ik was enorm geschokt. Ik herinner me dat ik vuile schoenen droeg. Ik kwam rechtstreeks van een werf. En ook mijn broer kwam van zijn werk. Ik heb meteen daarna mijn haar blond geverfd. Mijn zus vond het prachtig. Ik niet.

 

 Ik geloof Ann omwille van haar. Ik ben een heel redelijk iemand. Bij de incest van mijn zus zie ik alleen de gevolgen, maar ik herinner me niets wat erop wijst. Mijn geloof is gestoeld op respect voor Ann. Ik weet zeker dat ze de waarheid spreekt, maar het is niet wetenschappelijk bewezen. Er waren natuurlijk wel de enorme spanning tussen mijn vader en haar, én haar eetstoornis.

 

 Ik heb getreurd voor Ann. Maar ook voor mezelf. Al mijn herinneringen aan mijn vader zijn aangetast. Ik ga naar zijn graf. Ik ga er even staan op 1 november. Maar ik heb geen contact met hem. Ik heb geen foto van hem hier in huis omwille van Ann. Maar nu zou ik ook zelf geen foto van hem meer willen hebben. Ik heb een vadermoord moeten plegen. Ik heb alle herinneringen gewist. Ik heb er vooral weinig emoties over. Hij is uit mijn leven verdwenen.

 

 Voor mijn zus ligt dat anders, maar voor mij maakt het weinig verschil. Hij is toch dood. Ik ben heel gelukkig in mijn leven. Ik kan mijn leven heel goed aan. Ik krijg veel vriendschap en liefde. Ik zag naar mijn vader op, maar veel liefde en vriendschap heb ik niet van hem gekregen. Op het einde wel, toen hij ziek was. Ik was bij hem toen hij stierf. Ik heb zijn masker vastgehouden toen hij de laatste keer ademhaalde.

 

 Voor hij naar de kliniek ging, hebben we samen bij mijn ouders thuis afscheid genomen. Dat was drie dagen voor zijn dood. Iedereen wist dat het afgelopen was. Er zijn toen teksten voorgelezen. Ann heeft ook een tekst geschreven.

 

 Ik herken dingen van hem in mij. Daar ben ik opstandig over geweest. Maar ik ben een pragmatisch iemand. Ik heb besloten gelukkig te zijn zonder mijn vader. Ik kan mijn emoties sturen.

 

 Ook voor mijn moeder heb ik getreurd. Zij moet haar hele geschiedenis herdenken. Dat moet verschrikkelijk zijn. Zij heeft grote moeite om iets te aanvaarden waar ze geen enkel bewijs van heeft. Het is als een dief die komt in de nacht en iets wegneemt. Je ziet het gevolg, maar niet de misdaad zelf. Mijn ouders pasten wel bij elkaar, vind ik. Ze vulden elkaar aan. Ik wens trouwens dat proces niet te maken. In elke relatie moet je compromissen sluiten. Ik geloof niet in de ideale liefde.

 

 Ik heb een beetje de fakkel van mijn moeder overgenomen door veel bij Ann te zijn. Het heeft me vorig jaar enorm veel moeite gekost om haar te overtuigen zich nog eens te laten opnemen. Ik was zo ongerust. Het was trouwens ontzettend moeilijk om haar in Gasthuisberg binnen te krijgen. Ik had contact met haar en met haar therapeut. Hij zei dat hij niemand meer vond die haar wilde opnemen. Misschien heeft het een economische reden. Uiteindelijk heb ik gebeld naar een neef van me die psychiater is. Via hem heb ik iemand in Gasthuisberg gevonden die haar nog wilde opnemen. De avond voor haar opname maakte ze me duidelijk dat ze hier en nu zelfmoord zou plegen. Ze wilde van die spoken in haar hoofd verlost zijn. Ze wilde dat het ophield. Ze zag de zin van vechten niet meer in. Ik begreep dat ik echt moest ingrijpen. Goddank heeft ze me de dag nadien gebeld om te zeggen dat ik haar mocht komen ophalen om haar naar Gasthuisberg te brengen.

 

 Ze is daar veertien dagen of drie weken gebleven. Dan moest ze er weg want psychiatrische patiënten horen daar niet thuis. En wat later is ze in Gent opgenomen. Na twee maanden kwam ze thuis. We wisten dat die behandeling te kort was geweest. Maar Gent heeft haar wel veranderd. De muur was afgebroken. Ze was veel meer open. Je hoefde niet meer uren aan de telefoon te hangen in de hoop er een woord uit te krijgen. Daarom had ik echt wel hoop. In Gent heb ik haar dikwijls bezocht.

 

 Ik vind dat Ann het recht heeft zelfmoord te plegen. Ik zie geen oplossing. Wat haar nu nog in leven kan houden, zijn vriendschap en liefde en plezante ervaringen. Maar het is erg moeilijk om met haar af te spreken. Er zitten zoveel structuren in haar hoofd. Ik wilde met haar zeven dagen naar New York, maar uiteindelijk is het een weekendje Antwerpen geworden.

 

 Ik weet dat ik haar vorig weekend aan het station had moeten ophalen. Ik heb daar een fout gemaakt. Mijn moeder heeft het me ook gezegd. Ik vind het erg lastig om aan haar structuren te voldoen. Ze wil hier alleen maar komen tussen twee maaltijden in, want ze kan hier niet eten. Ze moet om één uur in Leuven opgehaald worden en om halfvijf wil ze er terug zijn. Elke afwijking van die regel is onbespreekbaar. Want ze spreekt dan ook nog eens af met de een of andere vriendin zodat ze zeker terug in Brussel moet zijn. Ik wil dat ze hier een hele dag of een heel weekend komt! Ik verwen mijn gasten graag. En ik had haar zoveel te vertellen over mijn reis.

 

 Als ik haar aan het station moet gaan halen, dan kan ik geen biertje drinken of jointje roken. En ik moet twee keer heen en terug, samen goed voor honderdachtentwintig kilometer! Onder die voorwaarden kan ik niet van haar bezoek genieten. Waarom kan ze geen taxi nemen? Ze heeft geld genoeg. Uiteindelijk heeft mijn moeder haar opgehaald en teruggebracht. Dat snap ik echt niet.

 

 Het grootste probleem tussen Ann en mij is dat voor haar het leven zo gestructureerd moet zijn, maar voor mij niet. Ik heb een hekel aan afspraken. Ik wil niet de hele tijd op de klok kijken. Ik kan het best met mensen praten als er veel tijd is.

 

 Als Ann me vraagt bij haar te zijn als ze zelfmoord pleegt, dan zal ik het doen. Maar ik zal het ontzettend moeilijk vinden. Ik zal me erin werpen.'